De stille logica van onzichtbaarheid

In systemisch werk zie je vaak dat wat iemand in het dagelijks leven als persoonlijk probleem ervaart, veel groter blijkt te zijn dan het individuele verhaal. Het lichaam draagt herinneringen, loyaliteiten en angsten die vaak niet direct van jezelf lijken te zijn. In een recente opstelling werd dit opnieuw duidelijk zichtbaar.

De vraag waarmee de cliënte kwam ging over zichzelf serieus nemen in contact met anderen. Ze gaf aan dat ze in groepen vaak bagatelliseert wat ze denkt en voelt. Liever blijft ze zwijgen, alsof ze niet volledig haar plek durft in te nemen. In een groep heeft ze de neiging zich te verstoppen, zich onzichtbaar te maken. Ze gaf ook aan dat ze vaak niet vertrouwt op haar eigen beleving van de werkelijkheid en dat ze bang is om grenzen aan te geven omdat dit haar uit verbinding zou brengen met de ander.

De onderliggende beweging was duidelijk: “In contact met anderen ben ik nooit helemaal mezelf.”

En tegelijk zat daar een diepe intelligentie onder. Alsof er een goed georganiseerde innerlijke verdediging was ontstaan. Want wie ooit heeft ervaren dat zichtbaar zijn onveilig is, ontwikkelt strategieën die precies dat voorkomen. Dan ga je je verstoppen. Niet voor niets. Altijd met een reden. Verstoppen was wellicht ooit letterlijk van levensbelang.

Dat ze hier zat om haar thema in groep te onderzoeken, maakte zichtbaar dat ze al midden in haar vraagstuk stond en een andere beweging toeliet dan de strategie die haar lange tijd had beschermd.

De opstelling

Er werd gewerkt met representanten voor haar moeder, haar vader en haar grootouders. De cliënte werd aanvankelijk nog buiten het veld gehouden, om eerst de onderliggende familiedynamiek zichtbaar te laten worden.

Wat zich vrijwel direct aandiende, was een voelbare spanning in het systeem, met name aan moederszijde. De representante van moeder maakte zich klein, het leek alsof ze zich wilde verstoppen. Een zware last die niet alleen in het persoonlijke verhaal leek te liggen, maar ook in een bredere, collectieve geschiedenis. Vanuit het genogram werd immers duidelijk dat deze tak van de familie Joods was, voor wie ervaringen van vervolging en verlies een diepe imprint hebben achtergelaten.

In aansluiting op deze systemische waarneming werd een representant voor de Holocaust toegevoegd, zonder dat aan de deelnemers werd toegelicht waarvoor of voor wie deze representant precies stond; het was een bewuste keuze om het effect hiervan te observeren zonder enige voorkennis over de betekenis van deze inbreng. Deze representant betrad het veld, en bleef in het midden staan. Daarmee werd de onderliggende laag in het veld explicieter voelbaar: de ruimte verdichtte zich, werd zwaar en intens, alsof het systeem iets droeg dat groter was dan het individuele niveau kon bevatten.

Wanneer de representant van de cliënte vervolgens in het veld werd geplaatst, positioneerde zij zich aan de rand van het veld, tegen het raam geplakt. Ze durfde niet om zich heen te kijken. Het leek alsof ze door het raam wilde breken, zo groot was haar drang om te ontsnappen. Ze wees naar het midden en zei: “Daar is dood en verderf, ik zit gevangen.”

Wat zichtbaar werd, is hoe de plek van de cliënt in het veld niet los te zien is van wat er in eerdere generaties en collectieve lagen is blijven doorwerken. De randpositie lijkt daarbij niet alleen een keuze, maar ook een vorm van bescherming binnen een systeem waarin zichtbare aanwezigheid te veel zou kunnen zijn. Er was een voelbare beweging van terugtrekken, alsof de plek in het leven niet veilig was om te betreden. Het veld liet een patroon zien van onderduiken, van onzichtbaar worden om te kunnen blijven bestaan.

De intergenerationele laag

De link met de Holocaust kwam niet als interpretatie van buitenaf, maar als iets wat in het veld en in de woorden van de cliënt zelf al aanwezig was. Tijdens de intake had ze gezegd:

“Het lijkt wel alsof ik me steeds onzichtbaar moet maken voor iets engs. Alsof ik me moet inhouden om te mogen blijven. Alsof ik onderduik.”

In het systeem werd voelbaar dat er een collectieve laag van ervaring meespeelde: een tijd waarin zichtbaar zijn daadwerkelijk gevaarlijk was. Waarin er letterlijk geen plek was om te bestaan zoals je bent. Waarin overleven soms gelijk stond aan verdwijnen.

Dat soort ervaringen eindigt niet vanzelf in het verleden als ze niet erkend worden in de doorwerking van de generaties.

Het werk met de voorouders

Naar de representanten van de Joodse voorouders werd gezegd:

“Ik zie jullie. Jullie horen bij mij. Wat jullie is overkomen was groot, verschrikkelijk en overweldigend. Ik voel het gevoel van geen plek hebben en geen plek mogen innemen. Ik voel hoe gevaarlijk het was om zichtbaar te zijn. Alsof er alleen overleven mogelijk was door jezelf te verkleinen, te verbergen, onder te duiken.”

Er viel een stilte. En in die stilte werd iets zichtbaar wat vaak in systemisch werk naar voren komt: het verschil tussen erkennen en dragen. Want wat van hen is, hoort bij hen.

Daarna werd uitgesproken: “Dit gevoel hoort niet bij mij. Het is van jullie. Het hoort bij een tijd waarin er werkelijk geen plek was. En dat was toen.”

Langzaam kwam de beweging naar ordening: “Uit liefde heb ik geprobeerd iets van jullie lot te dragen. Maar dat is niet mijn plek. Jullie lot laat ik bij jullie. Wat van jullie is, laat ik bij jullie. Wat van mij is, neem ik bij mij.”

Er ontstond ruimte. Ruimte om te voelen dat het niet nodig is om te verdwijnen om erbij te horen. Niet nodig om jezelf in te houden om te kunnen blijven bestaan in contact met anderen.

En de uitnodiging werd helder: “Ik hoef niet meer te verdwijnen om erbij te horen. Ik hoef me niet meer in te houden om te kunnen blijven. Ik neem nu mijn plek aan. Ook als een deel van mij bang is, mag ik hier zijn. Er is een plek voor mij. Ook als ik die niet altijd heb gezien. Ik mag hem aannemen.”

                                                                                         ------        

Na deze opstelling merkte de representant dat er echt iets was veranderd op diep niveau. Hoewel zij niet de vraagsteller was, raakte deze vraag bij haar exact dezelfde thematiek. Ze leeft zelf met ptss en kende lange tijd een doodangst voor groepen. Ook had ze onbegrijpelijke angst voor (werk) plekken waar ze voor haar gevoel gevangen kon zitten, zoals het ‘beveiligde’ fabrieksterrein die was omsloten met hoog hek en prikkeldraad.

 

Door als representant in de opstelling te staan, kon ze een verborgen trauma in haar lichaam in de tijdspanne van NU op een veilige manier doorleven. Zij kon haar lichaam op een zintuigelijke manier laten voelen dat de oorlog over was en ze nu veilig was. En die wetenschap geeft haar systeem een diepe ontspannen rust.

 

Waar groepen eerder spanning en overlevingsreactjes opriepen, kan ze nu aanwezig blijven zonder die oude angst. Ze gaf aan dat de opstelling voor haar een kantelpunt markeerde. Een letterlijke bevrijding. In haar eigen woorden:  “De waarheid heelt de waan”. 

Wat hierin zichtbaar werd, is dat wanneer de waarheid werkelijk wordt aangekeken en gevoeld, oude overtuigingen en angsten hun grip verliezen. Het systeem hoeft zich niet langer te beschermen tegen iets dat in het hier en nu niet meer bedreigend is. En precies daar ligt de kracht van dit werk: het brengt beweging in wat vastzat, de waarheid maakt vrij wat verstrikt is geraakt.

Volgende
Volgende

Waarom trauma geen quick fix kent